Thomas Kunst

Scriptie

De opdracht

Voor deze opdracht ga je een scriptie schrijven met als basis de syllabus voor je eindexamen. Je mag de opdracht maximaal met twee personen doen. De probleemstellingen uit de syllabus zijn de rode draad voor je verhaal. Uiteindelijk presenteer je jouw scriptie aan de klas. De scriptie vormt een onderdeel van je voorbereiding voor het schriftelijk eindexamen. Een scriptie moet meer zijn dan het op een rijtje zetten van wat brongegevens, het is meer een eigenzinnige studie naar een gegeven en daarvan een vaardig verslag in tekst en beeld. De scriptie wordt bijzonder vormgegeven.

De structuur

Het stappenplan hieronder geeft globaal weer hoe je deze opdracht kunt aanpakken. Meer tips staan onder aan deze pagina.

Stap 1: Lees de syllabus globaal door en bekijk welke kunstenaars je interessant vindt. Kies 1 van de kunstwerken die genoemd worden in de syllabus. Dit kunstwerk staat centraal in je onderzoek. Kies daarnaast minimaal nog twee kunstwerken om je verhaal te verbreden en verduidelijken. Deze mogen uit de syllabus komen maar maak wel je eigen combinatie van kunstwerken. Je mag ook een kunstwerk kiezen die niet in de syllabus staat.

Stap 2: Bekijk de probleemstellingen hieronder en in je syllabus. Nu kun je je onderzoek beginnen. Je probeert de probleemstellingen te betrekken op je centrale kunstwerk en ze te beantwoorden. Hiervoor is de tekst uit de syllabus jouw uitgangspunt maar je zult meer bronnen moeten gaan raadplegen. Het is de bedoeling dat jouw onderzoek meer informatie oplevert dan wat er al in de syllabus staat. Jouw scriptie moet uiteindelijk een goed lopende, duidelijk en eigen verhaal worden.

1 In hoeverre verschilt de beroepspraktijk van een kunstenaar anno nu met die van een kunstenaar uit het verleden?
2 In hoeverre veranderde de sociaaleconomische positie en de maatschappelijke status van de kunstenaar door de eeuwen heen?
3 Welke ideeën en mythes van het kunstenaarschap zijn er door de eeuwen heen ontstaan? Bijvoorbeeld: het klassieke kunstenaarschap (edelman kunstenaar), het romantische kunstenaarschap (bohemien), het avant-gardistische of modernistische kunstenaarschap en het kunstenaarschap van de post-artist.
4 Op welke manieren presenteert de kunstenaar zichzelf door de eeuwen heen en hoe wordt hij/zij gerepresenteerd (voorgesteld) door anderen? En hoe sluit dit aan op ideeën en mythes van het kunstenaarschap?
5 Speelt het persoonlijke leven van de kunstenaar een rol in zijn/haar kunst? En welke verklaring(en) worden hiervoor gegeven?
6 Op welke manier weerspiegelt het atelier of de woning van een kunstenaar zijn of haar visie op kunst en/of leven?
7 Wat zijn de mogelijkheden en beperkingen van de biografische methode als kunsthistorische benadering? En welke alternatieve benaderingen bestaan er voor de biografische methode? bijvoorbeeld: de formele benadering, de iconologische benadering, de semiotiek, de kunstsociologische benadering, de postmoderne benadering.

Stap 3: Werk samen je onderzoek verder uit. Het geheel geef je vorm in een verslag waarin je een heldere lay-out maakt met inhoudsopgave, inleiding, onderzoek, en conclusie. Deze opdracht is uitdagend voor je omdat je nu zelf met verschillende bronnen tot eigen conclusies en kennis moet komen terwijl je tot nu toe alleen maar uit een boek moest leren. Het leuke is dat je nu niet naar mijn verhaal hoeft te luisteren maar je eigen verhaal kunt maken en ontdekking gaat doen. Gelukkig mag je ook met mij in gesprek als je vast loopt of graag met me wil sparren over je ideeën.
Heel veel succes.

Uiteindelijk bevat je scriptie de volgende onderdelen:
  • Titel. De titel van een scriptie is niet een neutrale aankondiging (b.v. “Impressionisme”) maar een aankondiging van de essentie van de inhoud (b.v. “De waarneming verbeeld”). De titel moet nieuwsgierig maken.
  • Voorwoord. Waarom dit onderwerp gekozen, aan wie/wat te danken?
  • Inleiding. Welke kunst ga je bespreken en waarom, welke beeldaspecten ga je aan een analyse onderwerpen en waarom, wat is je vraagstelling en waarom?
  • Hoofdstukken. Werk in een aantal hoofdstukken je onderzoek uit. Raadpleeg niet alleen internet maar ook boeken. Verwerk in de tekst beeldmateriaal die jouw tekst verhelderen en ondersteunen.
  • Conclusie. Hier geef je antwoord op de vraagstelling. De conclusie moet voortvloeien uit je scriptie; zij mag geen nieuwe elementen bevatten.
  • Literatuurlijst. Boeken, sites, instanties en personen vermelden.

Waar wordt je op beoordeeld?

Je kunt maximaal 100 punten scoren.
  1. Is het je gelukt om de probleemstellingen uit te werken? Maximaal 40 punten
  2. Is het je gelukt een samenhang tussen de verschillende probleemstellingen te maken? Maximaal 20 punten
  3. Is het je gelukt je verhaal in je eigen woorden te schrijven? Maximaal 10 punten
  4. Is het je gelukt andere bronnen in je verhaal te verwerken? Maximaal 10 punten
  5. Is het je gelukt een helder verhaal te schrijven met diepgang, structuur en een goed layout? Maximaal 20 punten

Planning en afspraken

De inleverdatum voor de scriptie en de datum van de presentatie vind je terug in je planner op Magister.

Meer uitleg en tips voor het schrijven van een scriptie

Hoe schrijf je een scriptie?
Tijdens het schrijven van een scriptie doorloop je een aantal stappen. Deze stappen moeten echter niet in een vaste volgorde worden doorlopen. Elke stap heeft consequenties voor voorgaande stappen, waardoor je terug moet en tegelijkertijd moet je bij elke stap rekening houden met komende stappen. Hieronder staan de stappen. Bij elke stap worden enkele tips gegeven die houvast kunnen bieden bij het schrijven van je scriptie.

Stappen voor het schrijven van een scriptie
  • Oriëntatiefase
Oriënteren op doelstellingen en richtlijnen, het starten, keuze van het onderwerp.
  • Informatiefase
Verzamelen van informatie, globaal uitdiepen van het onderwerp, opzoeken van literatuurbronnen.
  • Vraagstellingsfase
Formuleren van een vraagstelling, opstellen van een voorlopige inhoudsopgave en het maken van een werkplan.
  • Onderzoeksfase
Onderzoeksfase/literatuurstudie.
  • Schrijffase
Schrijven van de eerste grove versie.
  • Herschrijffase
Herschrijven/herordenen van de conceptversie.
  • Afwerkingsfase
Schrijven van conclusies, inleiding, voorwoord. Definitieve formulering en lay-out.

Oriëntatiefase
Alvorens te beginnen met het schrijven van de scriptie moet je je afvragen waar je je aan moet houden, zoals: hoeveel tijd staat er voor het schrijven van de scriptie, omvang, aard van onderzoek, vormaspecten. Wanneer je je niet grondig oriënteert op deze randvoorwaarden, maak je een verkeerde start. Veel misverstanden omtrent de richtlijnen in latere fasen van het schrijven van de scriptie hadden voorkomen kunnen worden door goede afspraken vooraf. In het eerste contact van de scribent met een begeleider moeten deze richtlijnen besproken worden en voor beiden duidelijk zijn.
Ook oriënteer je je in deze fase op mogelijke onderwerpen. Eindeloos blijven oriënteren op alle mogelijke onderwerpen is niet zinvol, evenmin als het steeds wisselen van onderwerp. Bij het kiezen van een onderwerp is het wel belangrijk dat je enige voorkennis hebt over het onderwerp en dat je zicht hebt op de mogelijkheden van het onderwerp. Een onderwerp moet interessant genoeg zijn om er een lange tijd mee bezig te zijn. Lees je voldoende in voordat je een definitieve keuze maakt.
Maak in deze fase een tijdschema voor het doorlopen van de verschillende stappen. Houdt daarbij rekening met vakanties van jezelf en je begeleider.

Informatiefase
Wanneer je een onderwerp hebt gevonden, begint het eerste verkennen van het onderwerp en het zoeken naar literatuur-bronnen. Deze fase zou je ook de "brainstorm"-fase kunnen noemen. Alles wat je aan spontane ideeën over het onderwerp te binnen schiet kun je noteren, waarbij je je vooral nog niet druk maakt over eventuele uitwerkingen. Voordat je begint met het bestuderen van de literatuur en/of het uitvoeren van een onderzoek, kun je een overzicht maken van alle deelonderwerpen om vervolgens in de literatuur uit te zoeken wat en hoeveel hierover geschreven is. Raadpleeg hiervoor de bibliotheken en internet.
Het is in deze fase nog niet nodig de literatuur echt grondig te bestuderen. De literatuur wordt globaal gelezen, hetgeen vooral bedoeld is om een indruk van het onderwerp te krijgen en de weg te vinden naar overige voor het onderwerp relevante literatuur. Wel is het zinvol aantekeningen te maken van de globaal gelezen teksten of in ieder geval bij te houden waar wat staat.
Blijkt dat het onderwerp te veelomvattend is (of dat er te veel over geschreven is) dan zal je beperkingen aan moeten brengen. Dit doe je door een bepaald aspect van het gekozen onderwerp eruit te lichten of te benadrukken.
Tijdens het globaal doornemen van de gevonden literatuur kun je op allerlei nieuwe ideeën komen, zodat het oorspronkelijke onderwerp naar de achtergrond verschuift. Zonder geheel van het onderwerp af te stappen moet het in dit stadium mogelijk zijn het onderwerp te nuanceren, te verleggen of bij te stellen.
Uiteindelijk kom je vanuit deze informatiefase tot een aantal ideeën voor de vraagstelling. Vraagstellingen waarop je door literatuurstudie of door middel van onderzoek antwoorden kunt vinden.

Vraagstellingsfase
Baken het onderwerp af door het te formuleren in een vraagstelling. Het vinden van een antwoord op de vraag wordt het doel van je onderzoek.
Zorg dat de vraagstelling helder geformuleerd is, want dit biedt houvast tijdens het verdere verloop van je scriptie.
Ga na of de vraagstelling onderzoekbaar is. Vraag je zelf af of je voldoende tijd hebt en of de benodigde informatie beschikbaar is om de vraag te beantwoorden.
Splits de vraagstelling op in deelvragen, zodat je een voorlopige structuur en inhoudsopgave voor je scriptie hebt.
Nadat de vraagstelling is geformuleerd, dus vóórdat je gericht onderzoek gaat doen, kun je alvast een globale inhoudsopgave maken.
Bij het indelen van een scriptie in hoofdstukken en paragrafen dien je rekening te houden met de volgende punten:
• feiten moeten duidelijk worden gescheiden van meningen en standpunten
• een eigen mening of beschouwing van de schrijver moet duidelijk als zodanig herkenbaar zijn
• conclusies kunnen beter apart behandeld worden
De inhoudsopgave die je nu maakt, is uiteraard een voorlopige. Je kunt tijdens het schrijven altijd veranderingen aanbrengen. Met een globale inhoudsopgave verdeel je de schrijftaken in overzichtelijke deeltaken, weet je waar je naar toe werkt en heb je overzicht over het geheel.
Op basis van vraagstelling en inhoudsopgave kun je tenslotte een werkplan maken, waarin je aangeeft wat je eerst gaat doen, welke literatuur je eerst gaat bestuderen, bij wie je de informatie gaat inwinnen en aan welk gedeelte van de scriptie je begint te schrijven. Bij het maken van een werkplan hoort ook een tijdsplanning. Houd voor elke fase enige speling in je tijdsindeling, zodat je kunt uitlopen.

Onderzoeksfase
Maak een plan voor het verzamelen van de informatie. Bedenk welke bibliotheken, internetsites, bronnen, enz. je kunt gebruiken.
Je zult een enorme hoeveelheid ongestructureerde informatie verzamelen.
Houd bij deze stap de vraagstelling(en) goed voor ogen. Hierdoor voorkom je dat je steeds uitweidt en allerlei zijwegen bewandelt, waardoor je te veel informatie verzamelt.
Hanteer een duidelijk systeem, waarmee je de informatie direct kunt ordenen en kunt aangeven waar je ze gevonden hebt. Houd steeds bij waar je wat vandaan hebt gehaald, dat bespaart je later een hoop zoekwerk.
Probeer in deze fase binnen de beschikbare tijd te werken. In het schrijven en herschrijven gaat immers ook veel tijd zitten.

Schrijffase
Schrijf je scriptie niet in één keer, maar maak verschillende versies. Schrijf de eerste versie zonder al te kritisch te zijn.
Schrijf de hoofdstukken aan de hand van je eerder gemaakte inhoudsopgave. Deel de hoofdstukken eerst op in paragrafen en orden vervolgens de gevonden informatie. Houd tijdens het schrijven voortdurend je vraagstelling(en) in je hoofd.
Begin nooit de inleiding te schrijven, maar begin te schrijven aan een hoofdstuk, waarvan de inhoud je al duidelijk voor ogen staat. Het is raadzaam om een langere tekst, bijv. een hoofdstuk, eerst in grote lijnen m.b.v. steekwoorden op papier te zetten. Een dergelijk schema van trefwoorden biedt je veel houvast bij het schrijven van het hoofdstuk. Velen hebben de neiging te lang stil te staan bij de eerste zin. Ze willen bijv. die eerste zin al direct perfect op papier krijgen, terwijl dit meer thuis hoort in een latere fase van het schrijfproces.
Als je de grote lijn niet goed in je hoofd hebt, bestaat bovendien de kans dat je te lang over details uitweidt. Wees bij het schrijven van de eerste versie niet te zuinig met papier, opdat je bij het herschrijven steeds op- en aanmerkingen kunt verwerken.

Herschrijffase

Herschrijf de tekst diverse keren en let daarbij in toenemende mate op formulering, taalgebruik en opbouw van de tekst. Laat (gedeeltes van) teksten regelmatig lezen door anderen. Zorg voor een juiste bronvermelding en een goed verwijzingssysteem.
Voor de leesbaarheid is het van belang onderdelen op elkaar aan te laten sluiten. Dit doe je bijvoorbeeld door aan het eind van een hoofdstuk of paragraaf aan te geven wat volgt en waarom je daarop ingaat. Ook kun je bij het begin van een nieuw onderdeel even terugblikken.
Bij het herschrijven kun je al rekening gaan houden met de alinea-indeling. Alinea's worden gebruikt om een bepaalde gedachtegang te onderbreken. Het maken van een indeling is niet eenvoudig. Soms begint men te vaak met een nieuwe alinea, waardoor een onoverzichtelijk geheel wordt gecreëerd.

Afwerkingsfase
In deze fase gaat het om de vormaspecten van de scriptie. Hoewel de inhoud van een tekst natuurlijk voorop staat, is het voor de leesbaarheid essentieel de tekst goed af te werken. Een overzichtelijke inhoudsopgave, een goede indeling, een duidelijke inleiding, heldere formulering en een nette lay-out vergroten de leesbaarheid aanzienlijk. Omdat dit een scriptie is voor een creatief vak maak je er ook een creatief geheel van.
Schrijf nu pas de inleiding (doel en opzet van je scriptie), conclusie (antwoord op de vraagstelling) en samenvatting. De conclusie moet voortvloeien uit je scriptie; zij mag geen nieuwe elementen bevatten.
Maak beslissingen over de lay-out (regelafstand, marges, lettertype).
Nummer de hoofdstukken en paragrafen systematisch.
Maak de definitieve inhoudsopgave, een voorblad, een literatuurlijst en een verwijzingssysteem (voet- of eindnoten per pagina of per hoofdstuk).
Geef de bijlagen een titel en een nummer.

Een aantal tips:
  • Lees de tekst nog een keer door om eventuele taalfouten te corrigeren. Laat het eventueel aan anderen lezen, omdat je zelf de neiging hebt over de fouten heen te lezen.
  • Schrijf de inleiding wanneer de scriptie in grote lijnen af is. Je kunt in de inleiding doel en opzet van de scriptie (het onderzoek) weergeven, aangeven waarom je dit onderwerp koos en een overzicht geven van je werkwijze. Je kunt tevens de inhoud van de verschillende hoofdstukken kort toelichten.
  • Ook de conclusies worden het laatst geschreven. Zorg ervoor dat je tijdens het schrijfproces steeds ideeën voor de conclusies noteert. Het is beter de conclusies te bundelen in plaats van allerlei conclusies her en der in de tekst te verwerken.
  • Zorg voor een goede lay-out (brede kantlijnen en brede ruimte aan de boven- en onderkant van het blad, goed beeldmateriaal, plaatsing tekst en beeldmateriaal, vormgeving boekje, enz.).
  • Zorg voor een overzichtelijke inhoudsopgave, een voorblad en een literatuurlijst.
  • Citaten worden tussen aanhalingstekens gezet. Wil je in het citaat een gedeelte weglaten, dan zet je punten (....). De geciteerde auteur wordt tussen haakjes vermeld met jaartal van uitgave en paginanummer, bijv. (Jansen, 1989, p.118).
  • Wanneer men ideeën, opvattingen uit de literatuur overneemt, noemt men in de tekst de schrijver en het jaartal van uitgave tussen haakjes (Jansen, 1929). Van een tekst van twee auteurs kan men volstaan met alleen de eerste auteur met daarachter e.a. (Jansen e.a., 1971).
  • In de literatuurlijst worden de namen van de auteurs in alfabetische volgorde vermeld. Raadpleeg andere scripties en publicaties om te zien hoe een literatuurlijst eruit hoort te zien.
  • Maak duidelijke afspraken met je begeleider en houd regelmatig contact.
  • Houd tijdens alle stappen je tijdschema in de gaten en stel het zonodig bij. Houd je zo goed mogelijk aan het schema, want juist de laatste stappen kunnen meer tijd vergen dan voorzien.
  • Denk bij elke activiteit na wat de consequenties ervan zijn voor eerdere en komende werkzaamheden.
  • Zorg voor een vaste, prettige werkplek en houd je ook aan regelmatige werktijden. Denk hierbij ook aan openingstijden van instellingen die je moet bezoeken.
  • Laat de scriptie niet steeds liggen, maar blijf er voortdurend aan werken.
  • Verlies je vraagstelling niet uit het oog.